Staal No. 1016:Mango
Botanische naam:Mangifera indica L.
Familie:Anacardiaceae
Nat. verspr. geb.:India tot Birma; aanplant in tropische en veel subtropische gebieden
Herkomst monster:Bali, Indonesië
Vol. massa:575-700 kg/m3
Andere namen:machang (Maleisië)
Algemeen:Boom tot 15 à 25 m hoog met een dichte, zeer brede, koepelvormige kroon en, in tegenstelling tot de meeste van de 60 andere Mangifera-soorten, een korte, gedrongen stam. De bladeren hebben de vorm als die van de Laurier, maar zijn groter. De vruchten zijn de overbekende mango’s, rond tot ovaal, onrijp groen, rijp rood, geel of oranje. Het is in de tropen een zeer belangrijke vruchtboom, sinds enkele honderden jaren in cultuur.
Techn. gegevens:Het hout is egaal lichtbruin van kleur en waarschijnlijk alleen spint. Alleen zeer oude bomen krijgen soms een kleine donkere of geaderde kern. De draad is recht, de nerf tamelijk grof. Om te voorkomen dat het wordt aangetast door schimmels moet het versneld worden gedroogd. Drogen aan de lucht leidt al tot verkleuring naar geel en grijs. Hierbij krimpt en vervormt het weinig, eenmaal droog gedraagt het zich stabiel. Het is gemakkelijk te bewerken en met scherp gereedschap en fijn schuurpapier glad af te werken. Het spinthout is niet duurzaam en wordt snel aangetast door houtboorders en termieten. Kernhout is matig duurzaam.
Gebruik:Allereerst de boom als vruchtboom. Het vruchtvlees o.a. voor sap en jam, de pit o.a. voor medicijnen. Het hout voor lichte constructies, vloeren, goedkoop meubilair, blindhout, kisten, kratten, papierpulp, brandhout. Mooie stammen worden verwerkt tot fineer; dit is zeer broos, maar lijmt goed.
[pakket 116, december 2006]

afdrukken        venster sluiten