Staal No. 1044:Hongaarse eik
Botanische naam:Quercus frainetto Ten.
Familie:Fagaceae
Nat. verspr. geb.:Balkan tot in Hongarije, Zuid-Italië
Herkomst monster:Zwolle
Vol. massa:750 - 850 kg/m3 (luchtdroog, gemeten)
Algemeen:Van de 400 eikensoorten zijn er slechts 20 in Europa inheems, waarvan deze soort één van de grootste bomen vormt. Het is een snelgroeiende boom tot 40 m hoog met een open kroon en een ronde tot afgeplatte top. De stam is kort en gezet, soms tot over 1 m doorsnede; de bast is diep en regelmatig gegroefd. De tot 200 mm grote bladeren zijn diep ingesneden en vaak dubbel gelobd, terwijl de lobben soms over elkaar liggen, van boven donkergroen, van onder grijsgroen en donzig. Botanisch staat deze soort zeer dicht bij de Zomereik (Q. robur) en de Wintereik (Q. petraea).
Techn. gegevens:Door de snelle groei heeft het hout vaker brede groeiringen. Verder is er geen verschil met de Zomereik en de Wintereik. Het geel-bruine kernhout steekt duidelijk af tegen het bleekgele spint, dat bij deze soort vaak zeer breed is (soms net zo breed als het kernhout). De draad is recht, de nerf matig grof tot grof. Het moet langzaam en voorzichtig worden gedroogd ter voorkoming van scheuren en vervorming. Het is goed te bewerken en glad af te werken. Het kernhout is tamelijk duurzaam.
Gebruik:Het hout van de Hongaarse eik kan voor dezelfde doeleinden worden gebruikt als dat van de Zomereik en de Wintereik, hoewel als gevolg van de brede groeiringen, de kleine diameter van het kernhout en de korte stam de gemiddelde opbrengst en kwaliteit veel lager is.
[pakket 119, juni 2008]

afdrukken        venster sluiten