Staal No. 1074:Kermeseik
Botanische naam:Quercus coccifera L.
Familie:Fagaceae
Nat. verspr. geb.:Middellandse Zeegebied van Portugal tot Syrië
Herkomst monster:Algarve, Zuid-Portugal
Vol. massa:890 - 920 kg/m3 (luchtdroog, aan de monsters gemeten)
Algemeen:Een opgaande, altijdgroene struik van 2 - 6 m hoog met een niet al te zwaar vertakte kroon, die goed gedijt in een rotsachtige bodem met voldoende water. Het blad is betrekkelijk klein (15 - 40 mm lang), stijf, 2-zijdig glanzend groen, langwerpig tot eirond, de randen gegolfd en meestal scherp getand. De soort is botanisch nauw verwant aan de Steeneik of Azijnhout (Q. ilex, NEH.nr. 110) en de Kurkeik (Q. suber, NEH.nr. 986), een eikengroep met niet-ringporig hout.
Techn. gegevens:Het hout is lichtbruin van kleur, overeenkomstig de andere eikensoorten, met soms een donkerbruine tot bijna zwarte verkleuring nabij het hart. Spint en kernhout zijn niet duidelijk van elkaar te onderscheiden. De draad is recht tot onregelmatig, de nerf is fijn. Het hout is dicht, hard, sterk en moeilijk splijtbaar. Het droogt langzaam; om vervorming en scheuren zo veel mogelijk te voorkomen is het beter dit niet te versnellen. Het heeft een matige krimp. Het hout is zowel nat als droog moeilijk te bewerken. Bij schaven, vooral bij een onregelmatige draad, wordt een kleine snijhoek aanbevolen (20°). Het lijmt goed. Schuren gaat moeizaam, maar het hout kan wel zeer glad worden afgewerkt. Het is waarschijnlijk matig duurzaam, vergelijkbaar met Azijnhout.
Gebruik:Op het blad van deze struik komt de Kermesschildluis voor, die er vroeger speciaal op werd gekweekt en verwerkt tot een karmozijnrode kleurstof, gebruikt om textiel te verven. Gebruik van het hout is niet bekend.
[pakket 122, december 2009]

afdrukken        venster sluiten