Staal No. 1108:Rimu
Botanische naam:Dacrydium cupressinum Sol. ex Forst.f.
Familie:Podocarpaceae
Nat. verspr. geb.:Nieuw-Zeeland (Noord-Eiland en Zuid-Eiland)
Herkomst monster:Nieuw-Zeeland
Vol. massa:500 - 600 kg/m3
Algemeen:Het geslacht Dacrydium heeft met 16 soorten, verdeeld over het zuidelijk halfrond, slechts 1 vertegenwoordiger in Nieuw-Zeeland. Het is een grote bosboom, die meestal een hoogte bereikt van 20 - 35 m, maar uitschieters tot 60 m komen voor, bij een stamdoorsnede van 1,5 (- 2,0) m. Ze zijn dan 800 - 1000 jaar oud. Het loof aan de overhangende takken kent 3 stadia: jeugd-, overgangs- en volwassen blad. Het groeit er verspreid, maar ook in bijna zuivere opstanden. Naast Kauri (Agathis australis, NEH.nr. 840) was Rimu de belangrijkste houtleverancier in Nieuw-Zeeland. Door overmatige kap is de voorraad inmiddels schaarser geworden. Er vindt geen export plaats. Veel toepassingen voor Rimu zijn inmiddels overgenomen door Pinus radiata en Cupressus macrocarpa (NEH.nrs. 326 en 989) uit lokale aanplant.
Techn. gegevens:Het kernhout is geel-bruin tot rood-bruin met soms een grijze tint en vaak levendig gefigureerd, en is met een zone van lichtbruin overgangshout niet scherp gescheiden van het licht geel-bruine spint. Aan het licht blootgesteld donkert het na. De draad is recht tot licht onregelmatig, voor een naaldhoutsoort is de nerf zeer fijn. Het is tamelijk hard. Het hout laat zich gemakkelijk drogen zonder veel krimp en vervorming. Het is gemakkelijk te bewerken, zowel met de hand als machinaal, goed te lijmen en zeer glad af te werken. Bij spijkeren wil het splijten. Het kernhout is matig duurzaam. Het overgangshout en het spint zijn niet duurzaam en kunnen makkelijk door houtboorders worden aangetast.
Gebruik:Meubels en betimmeringen, vloeren, ramen, deuren, kozijnen – hoofdzakelijk binnen. Geschild voor plaatmateriaal. Mooie stammen worden tot fineer gesneden, iets wat door de toenemende schaarste steeds vaker voorkomt.
[pakket ALV, maart 2010]

afdrukken        venster sluiten