Staal No. 1110:Cocumilio (It.), Dzenerika, Dzanja (voorm. Joegosl.), Agriokoromilia (Gr.), Italian plum, Greek plum (Eng.)
Botanische naam:Prunus cocomilia Ten.
Familie:Rosaceae, onderfamilie Prunoideae
Nat. verspr. geb.:Zuid-Italië, Z.O.-Europa, Griekenland, in het gebergte
Herkomst monster:Arboretum 'De Dreijen', Wageningen
Vol. massa:800 - 850 kg/m3 (luchtdroog, aan de monsters gemeten)
Andere namen:Prunus pseudoarmeniaca Heldr. & Sartori
Algemeen:Deze wilde pruim is één van de 17 in Europa inheemse Prunus-soorten. Het is een grote struik tot kleine boom met dichtbebladerde takken. De bloemen zijn wit en groeien in paren in de bladoksels, evenals de geurige, maar zure, gele vruchten.
Techn. gegevens:Het bruine, met rood gestreepte kernhout steekt scherp af tegen het geel-witte spint. De draad is recht tot onregelmatig, de nerf is fijn tot zeer fijn. Het is tamelijk hard. Het hout is lastig te drogen en wil daarbij scheuren en vervormen. Het is zinvol om bij zulk hard hout de kopse einden goed af te dichten, het langzaam en gelijkmatig te laten drogen en goed te laten nadrogen. Eenmaal droog is het een weerbarstige houtsoort, alleen met scherp gereedschap redelijk te bewerken. Het is goed te lijmen en d.m.v. schuren glad af te werken. Het hout is niet duurzaam en wordt, zoals elke Prunus-soort, snel door de houtwormkever (Anobium) aangetast.
Gebruik:Ondanks de zure smaak worden de vruchten veel door de plaatselijke bevolking verzameld. Het hout dient voor brandhout, maar het levert ongetwijfeld fraai draaiwerk op, door de kleur van het kernhout en het contrast met het spint.
[pakket ALV, maart 2010]

afdrukken        venster sluiten