Staal No. 1171:Blaasspirea, Sneeuwbalspirea (Ned.), Common Ninebark (V.S.)
Botanische naam:Physocarpus opulifolius (L.) Maxim.
Familie:Rosaceae, onderfamilie Spiraeoideae
Nat. verspr. geb.:Centraal en oostelijk Noord-Amerika
Herkomst monster:Arboretum ?Hemelrijk?, Essen (B)
Vol. massa:800 - 850 kg/m3 luchtdroog, aan de monsters gemeten
Algemeen:Het geslacht Physocarpus telt 10 soorten, waarvan er 9 inheems zijn in Noord-Amerika en 1 in Oost-Azië. Het is een bossige struik tot 2 à 3 m hoog waarbij de doorsnede vaak meer is dan de hoogte. In oude exemplaren kunnen de stammen een doorsnede bereiken tot ca. 0,10 m. Ze zijn dan wel vaak sterk gebogen of geknikt. De bast schilfert af in dunne, donkerbruine lagen. Het blad lijkt sterk op dat van de Gelderse Roos (Viburnum opulus), drielobbig, dubbelgetand. Bloemen zijn wit tot roze-achtig en staan in ronde hoofdjes van 25 - 50 mm doorsnede. De vruchten zijn donkerrood, als kleine blaasjes.
Techn. gegevens:Gegevens hierover in de literatuur ontbreken, zodat deze beschrijving volledig op eigen bevinding berust. Blaasspirea heeft bruin tot donkerbruin kernhout met een tamelijk scherpe tot scherpe overgang naar het vuilwitte tot lichtbruine spint. Kernvorming is in dit hout tamelijk variabel, in sommige stammen vindt zelfs nauwelijks kernvorming plaats. De draad is recht tot iets onregelmatig, terwijl ook draaigroei voorkomt, van licht naar links tot zeer sterk naar rechts. De nerf is fijn. Het hout is hard. Het moet met zorg worden gedroogd om scheurvorming te voorkomen: de stammetjes moeten door het hart worden gezaagd en de koppen moeten worden beschermd tegen te snel uitdrogen. Hout met draaigroei heeft de neiging tot vervorming. Eenmaal droog is het met scherp gereedschap redelijk goed te bewerken. Tijdens het vlakken veroorzaakt hout met draaigroei inspring bij een te grote snijhoek. Het is goed te lijmen en glad af te werken, vooral het donkere kernhout met een fraaie glans. Het blijkt zowel door schimmels als insecten aangetast te worden.
Gebruik:Het hout wordt voor zover bekend niet gebruikt, maar dat van de dikkere stammen kan dienen voor klein draai- en snijwerk t.b.v. kleine kunstvoorwerpen. De struik wordt aangeplant als (wind)haag en voor bodemversteviging. Sinds de jaren ’90 van de vorige eeuw zijn meerdere cultivars gekweekt met verschillende bladkleuren en dwergvormen, en met meeldauwbestendigheid.
[pakket Pakket 134, december 2015]

afdrukken        venster sluiten