Staal No. 0334:Potloodceder, Afrikaans
Botanische naam:Juniperus procera Hochst. ex Endl.
Familie:Cupressaceae
Nat. verspr. geb.:O Afrika van Eritrea tot Oeganda en Tanganjika, vooral in Kenya
Vol. massa:450-650 kg/m3
Andere namen:East African pencil cedar, thed, mutarakwa
Algemeen:J. procera (procera =hoog) is wat harder en daardoor iets minder geschikt voor potloden dan de Amerikaanse J. virginiana. Hiervan worden echter alleen nog de duurdere potloden vervaardigd omdat de voorraden sterk verminderd zijn. Uit de houtafval van beide soorten wordt cederolie gewonnen: gebruikt in de parfumerie, de zeepfabricage en bij de microscopie.
Boomgegevens: Boom tot 50 m hoog, meestal 35 40 m, met een takvrij stamstuk tot 20 m, en een diameter tot 2 à 2½ m, dikke bomen echter vaak hol.
Anatomisch: Groeiringen zichtbaar doch niet altijd duidelijk; ze geven soms een lichtere en donkere streping op de langsvlakken. Geen harskanalen, wel harscellen die soms met de loep zichtbaar zijn als fijne lijntjes evenwijdig aan de groeiringen. Houtstralen niet te zien met het blote oog, behalve als smalle spiegeltjes op het kwartiervlak.
Techn. gegevens:Zeer weinig kwasten. Spint zeer smal, lichtgeel, kernhout nogal wisselend van kleur ook in dezelfde stam: roodbruin, bruinrood tot zelfs violet. Geur aromatisch. Draad recht, of enigszins kruisdradig, nerf zeer fijn. Het hout is matig hard, matig sterk, bros en heeft een geringe splijtvastheid. Het is zeer duurzaam, ook bestand tegen termieten door de etherische olie die het bevat.
Het droogt wat ongelijkmatig, ook wegens soms aanwezig drukhout. Drogen vereist dus enige zorg. Het is goed te bewerken en glad af te werken; bij kruisdraad wat moeilijk te schaven. Goed te lijmen; bij het spijkeren neiging tot splijten.
Gebruik:Decoratief timmer en draaiwerk, meubels, fineer, potloden. Voor dit laatste rechtdradig hout uitzoeken.
[pakket 48, april 1962 (334A: aanvulling 1999)]

afdrukken        venster sluiten